Zoals bekend zijn de opvattingen over wat goed rekenonderwijs is wat verdeeld.
Ook over de vraag hoe goed/slecht het de laatste tijd gaat zijn de meningen verdeeld.
Slaan sommigen alarm, anderen vinden dat er weinig aan de hand is.
Wat zeggen de cijfers, en hoe worden die geïnterpreteerd?
Een van de plannen van het nieuwe kabinet is het instellen van een staatscommissie die "de crisis in de leerprestaties" op het gebied van taal, lezen, schrijven en rekenen gaat onderzoeken.
Belangrijkste reden: "We zien dat kinderen steeds minder goed kunnen lezen, schrijven en rekenen."
De geluiden over het gedaalde niveau van rekenen, vaak in een adem genoemd met lezen en schrijven, zijn niet nieuw.
Ze zijn de laatste jaren regelmatig te vinden in rapporten van de onderwijsinspectie, zoals
De Staat van het Onderwijs.
Er zijn echter ook tegengeluiden.
In een recent artikel in het tijdschrift
Didactief spreken Koeno Gravemeijer en Kees Buijs over de 'schadelijke mythe' van het dalend rekenniveau.
PPON
Het niveau van het basisonderwijs werd tussen 1987 en 2011 in de gaten gehouden door het Cito via de Periodieke Peiling van het Onderwijsniveau (PPON).
In het totaal ging het om vijf peilingen in 1987, 1992, 1997, 2004 en 2011.
Hierin werden onder andere de prestaties van de leerlingen in groep 8 (en in groep 5) op de verschillende onderdelen van het vak rekenen-wiskunde gevolgd. Wel moet bedacht worden dat de opgaven tussen 1987 en 2004 behoorlijk zijn veranderend, wat een goede vergelijking bemoeilijkt.
Juist rond de eeuwwisseling waren er grote verschuivingen te zien: De resultaten bij het rekenen met wat lastiger getallen, en vooral het delen en vermenigvuldigen, gingen sterk achteruit, terwijl bij onder andere schattend rekenen, hoofdrekenen en het werken met procenten flinke verbeteringen te zien waren.
In de periode hierna waren de veranderingen minder spectaculair.
Als we, ondanks alle veranderingen in de toetsopgaven, de ontwikkelingen in deze 25 jaar proberen samen te vatten zien we bij 10 van de 22 onderwerpen weinig verandering (effectgrootte tussen −0,2 en +0,2).
In zes gevallen was er een duidelijke vooruitgang, en in vier gevallen een duidelijke daling.
Slechts bij twee onderwerpen was er sprake van een sterke stijging of daling (zie de grafieken hiernaast).
Het betreft 'schattend rekenen' met een effectgrootte van 1,2 en vermenigvuldigen en delen met wat lastiger getallen, dus niet uit het hoofd, met een effectgrootte van −1,2.
Het is niet verwonderlijk dat de waardering van deze ontwikkeling nogal uiteenloopt.
Sommigen benadrukken de sterke teruggang bij bewerkingen.
Anderen spreken van een noodzakelijk heroriëntatie.
Peil.onderwijs
Sinds 2014 voert de Inspectie van het Onderwijs de regie over de peilingsonderzoeken onder de naam Peil.onderwijs.
Er zijn tot nu twee peilingen verricht over rekenen-wiskunde aan het eind van de basisschool. De eerste peiling was in 2019 en de tweede in 2023.
Volgens de peiling van 2019 is de rekenvaardigheid in het basisonderwijs tussen 2011 en 2019 op alle onderwerpen behalve meetkunde, licht toegenomen.
De grootste toename (effectgrootte 0,3) was bij het domein getallen.
In het meest recente rapport wordt kortweg gemeld dat 'geen significante verschillen' te zien tussen 2023 en 2019. Volgens deze rapporten is er dus sinds 2011 beslist geen sprake van een duidelijke achteruitgang.
1F en 1S
Bovengenoemde vierjaarlijkse peilingen moeten niet verward worden met de jaarlijkse publicatie van de inspectie over Taal en Rekenen, ook onder de noemer van Peil.onderwijs.
Deze leunt sterk op de resultaten van de diverse eind-/doorstroomtoetsen.
In deze jaarrapporten wordt veel belang gehecht aan de percentages leerlingen die 1F en 1S halen.
Hierover zijn intussen de gegevens van 9 jaar bekend.
Het 'fundamentele' niveau 1F wordt volgens een door het Cito ontwikkelde 'meetlat' door meer dan 90% van de leerlingen gehaald.
Dat is meer dan vooraf verwacht.
Het streefniveau 1S wordt echter slechts door zo'n 40 à 50 % gehaald en dat is aanzienlijk lager dan de verwachte 65%, terwijl er tevens weinig verbetering te zien is, ook 5 jaar na corona.
De laatste jaren ontstaat er wat meer discussie over de duiding van deze gegevens.
Enerzijds wordt benadrukt dat rekenniveau 1S eigenlijk nodig voor de leerlingen die naar mavo (vmbo gt), havo of vwo gaan en dat dit tegenwoordig om meer dan 70% van de leerlingen van de leerlingen gaat. Tegen die achtergrond is het onverteerbaar dat maar zo'n 45% dit niveau haalt.
Deze zienswijze krijgt steun van mensen die betogen dat het onderwijs, te veel gericht is/was op het basisniveau 1F. De ambities moeten hoger. Sommige scholen pakken die handschoen op en stellen als doel dat bijna alle leerlingen het streefniveau halen.
Tegen deze zienswijze wordt onder meer ingebracht dat bij de vaststelling van de referentieniveaus, naar schatting maar de helft van de leerlingen aan 1S voldeed, en dat het streefpercentage van 65% meer de stip op de horizon dan een concreet doel was.
Daarbij zijn er kritische opmerkingen te maken over de referentieniveaus en de wijze waarop geconstateerd wordt of ze 'gehaald' zijn. Scholen afrekenen op het percentage leerlingen dat 1S behaalt is helemaal uit den boze.
1)
Leerlingenvolgsysteem
Sinds corona is er nog een bron beschikbaar die een beeld geeft van de ontwikkeling van het rekenniveau aan het eind van de basisschool, of eigenlijk aan het begin van de brugklas: het leerlingenvolgsysteem van Cito dat in het voortgezet onderwijs door een flink aantal scholen wordt gebruikt.
2) De scores lijken sinds 2019 iets terug te lopen, zoals de grafiek hieronder laat zien.
Bij de meiden is de achteruitgang trouwens wat sterker dan bij de jongens (zie
WiskundE-brief 983).
TIMSS
Helaas doet ons land met groep 8 niet mee met het internationale onderzoek
Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS), maar we hebben wel een reeks scores over de periode 2003 tot en met 2023 voor groep 6 (zie
WiskundE-brief 962). De score van de zesdegroepers toont bij de afname van 2015 een duidelijke dip.
Op langere termijn lijkt er sprake van een lichte daling, maar in het laatste rapport wordt uitdrukkelijk gesteld dat er "geen overtuigend dalende of stijgende trend" is. Het meest opvallend is dat de verschillen toenemen. De jongens scoorden bijvoorbeeld in 2023 wat hoger dan 20 jaar daarvoor, maar de meisjes aanzienlijk lager.
Bovenstaande is noodzakelijker wijze erg beknopt gehouden. Er is veel meer te vertellen over dit onderwerp, en voor een deel is dat eerder in de WiskundE-brief ook gedaan. Hopelijk geeft deze bijdrage toch enig houvast in een tijd dat meningen feiten soms lijken te verdringen.
gk
------------
1 In Hogere-ambities-voor-beter-reken-wiskundeonderwijs en
Reken-het-rekenonderwijs-niet-af-op-percentages-leerlingen-die-1S-behalen, beide verschenen in het tijdschrift Volgens Bartjens, zijn deze standpunten duidelijk verwoord.
2 Zie Trends in het voortgezet onderwijs 2025 voor meer informatie.